“Bent u handig met technologie?”
Het lijkt een logische vraag tijdens een anamnese, maar het antwoord zegt vaak minder dan je denkt. Want wat betekent handig precies? De ene cliënt denkt daarbij aan internetbankieren, terwijl een ander dagelijks een tablet gebruikt en geen idee heeft waar de instellingen zitten. Ook de vraag “Bent u digitaal vaardig?” is lastig te beantwoorden. Veel mensen noemen zichzelf onzeker of zelfs ‘digibeet’, terwijl ze ondertussen beeldbellen, online boodschappen bestellen en foto’s versturen via WhatsApp.
Wil je weten welke rol zorgtechnologie kan spelen in het leven van een cliënt, dan heb je meer aan concrete vragen over ervaringen, gewoonten, wensen en voorkeuren. Juist tijdens de anamnese kun je daar al veel over ontdekken. Door te onderzoeken wat iemand al doet, wat prettig voelt en waar ondersteuning nodig is, ontstaat een veel vollediger beeld van wat bij iemand past.
Hieronder vind je zeven vragen die je daarbij kunnen helpen.
Begin breed en vraag welke apparaten en digitale toepassingen iemand al gebruikt. Begin bijvoorbeeld bij de magnetron en televisie, en kijk vervolgens naar een smartphone, tablet, smartwatch, slimme deurbel, personenalarmering of digitale agenda. Vaak helpt het om voorbeelden te noemen, omdat cliënten niet alles wat ze gebruiken zelf als ‘technologie’ zien.
Vraag vervolgens door. Waarvoor gebruikt iemand deze apparaten? Wat gaat gemakkelijk en waarbij is hulp nodig? Zo krijg je een veel beter beeld van de digitale vaardigheden van een cliënt dan wanneer je alleen vraagt of iemand handig is met technologie. Je ontdekt bovendien welke toepassingen al onderdeel zijn van het dagelijks leven. Dat kan waardevolle informatie opleveren wanneer je later onderzoekt welke zorgtechnologie passend is.
Sommige cliënten regelen technologie volledig zelfstandig. Anderen schakelen bij vragen een partner, familielid, buur of mantelzorger in. Dat kan prima werken, zolang duidelijk is op wie iemand kan terugvallen en of die ondersteuning ook daadwerkelijk beschikbaar is.
Vraag daarom wie kan helpen, wanneer die persoon beschikbaar is en welke ondersteuning zij kunnen bieden. Een naam in het netwerk betekent tenslotte nog niet automatisch dat die persoon deze rol wil of kan vervullen. Juist bij technologie die af en toe uitleg of ondersteuning vraagt, is dat belangrijk om vooraf te weten.
De ene cliënt leest het liefst eerst rustig een handleiding, terwijl een ander juist leert door samen iets uit te proberen. Voor sommige mensen werkt een stappenkaart met afbeeldingen of een instructievideo goed. De manier waarop iemand leert, zegt vaak veel over de ondersteuning die nodig is om met nieuwe technologie aan de slag te gaan.
Vraag daarom hoe iemand gewend is nieuwe dingen te leren en hoeveel herhaling prettig is. Misschien wil iemand eerst meekijken, daarna samen oefenen en het vervolgens zelfstandig proberen. Een technologie die in eerste instantie ingewikkeld lijkt, kan alsnog goed passen wanneer de uitleg aansluit bij de manier waarop iemand leert.
Dit vind ik een van de belangrijkste vragen. Het gesprek over zorgtechnologie begint bij wat voor de cliënt belangrijk is. Misschien wil iemand zelfstandig de medicatie blijven innemen, zelf de dag indelen, veilig alleen thuis kunnen zijn of contact blijven houden met familie.
Vanuit die wens kun je samen onderzoeken welke ondersteuning een toegevoegde waarde heeft. Zo blijft het zorgdoel leidend en kijk je vervolgens welke vorm van ondersteuning daarbij past. Zorgtechnologie kan één (of een deel) van de middelen zijn om dat doel te bereiken.
Een technologie kan op papier perfect lijken en in de praktijk toch minder goed aansluiten. Daarom is het belangrijk om te weten hoe het dagelijks leven van de cliënt eruitziet. Vraag naar vaste momenten, slaapritme, activiteiten, maaltijden en gewoonten. Wanneer staat iemand op? Is iemand overdag vaak thuis? Waar liggen telefoon of tablet meestal? Staat de televisie altijd aan? En op welke momenten is ondersteuning vooral nodig?
Een medicijndispenser werkt bijvoorbeeld goed wanneer de cliënt rond het uitgiftemoment in de buurt van het apparaat is en het signaal herkent. Een visuele herinnering heeft vooral effect wanneer iemand gewend is om op het betreffende apparaat te kijken. De dagelijkse routine bepaalt daardoor voor een belangrijk deel of een technologie passend is. Hoe beter de toepassing aansluit op het leven van de cliënt, hoe groter de kans dat iemand ermee uit de voeten kan.
Technologie in de zorg verandert soms ook de manier waarop iemand contact heeft met een zorgprofessional. Denk aan beeldzorg, monitoring of digitale begeleiding. Voor de ene cliënt voelt dat prettig en zelfstandig, terwijl een ander bang is persoonlijk contact te verliezen.
Vraag daarom hoe de cliënt daartegen aankijkt. Waar voelt iemand zich prettig bij? Welke verwachtingen zijn er? Zijn er zorgen? En in welke situaties heeft persoonlijk contact op locatie de voorkeur? Geef ruimte voor twijfel en nieuwsgierigheid. Soms helpt het om een toepassing eerst samen uit te proberen en daarna opnieuw te bespreken hoe het bevalt.
Samen beslissen hoort ook bij de inzet van zorgtechnologie.
Technologie werkt niet altijd zoals we willen. Een verbinding kan uitvallen, een apparaat kan een storing hebben of een cliënt kan vergeten hoe iets werkt. Juist daarom is het verstandig om vooraf te bespreken wat er in zo’n situatie gebeurt.
Wie kan de cliënt bellen? Wie volgt meldingen op? Wat gebeurt er als een toepassing tijdelijk niet beschikbaar is? En wanneer is alsnog fysieke zorg nodig? Duidelijke afspraken geven vertrouwen aan de cliënt, de naasten én aan jou als zorgprofessional. Ze zorgen er ook voor dat iedereen weet wie welke verantwoordelijkheid heeft wanneer er iets misgaat.
Tijdens een anamnese draait het om een breed beeld van de cliënt. Hoe past technologie in iemands dagelijks leven? Welke mogelijkheden zijn er? Wat vindt iemand belangrijk? En welke ondersteuning helpt om een toepassing goed te gebruiken?
Daarvoor heb je vooral vaardigheden nodig die je als zorgprofessional al iedere dag inzet: luisteren, observeren en doorvragen. Door technologie op deze manier onderdeel te maken van de anamnese, krijg je eerder zicht op wat iemand zelf kan, waar ondersteuning nodig is en waar zorgtechnologie mogelijk iets kan toevoegen.
Je voorkomt daarmee ook dat aannames bepalen welke mogelijkheden een cliënt krijgt. Soms kan iemand veel meer met technologie dan je vooraf verwacht!
Neem bij je volgende anamnese eens één of twee van deze vragen mee.
Grote kans dat je informatie ontdekt die anders buiten beeld was gebleven. Binnenkort ga ik verder met de praktische kant van zorgtechnologie.
Wil je die artikelen niet missen? Blijf mijn website volgen. Iedere week deel ik praktische kennis, ervaringen en lessen uit bijna tien jaar werken met zorgtechnologie.
Dit artikel is geschreven door Monique op 20-09-2026