Een cliënt had ondersteuning nodig bij haar medicatie. Tijdens een gesprek met haar huisarts kreeg ze te horen dat de thuiszorg daarvoor iedere dag langs zou komen. Voor haar was de situatie daarmee duidelijk: straks komt er drie keer per dag een zorgverlener aan de deur om haar pillen aan te reiken.
Vervolgens kwam de wijkverpleegkundige voor de kennismaking en anamnese. Zij bracht de situatie in kaart en zag dat een medicijndispenser waarschijnlijk goed kon aansluiten. Dit apparaat zou de medicatie op de afgesproken momenten aanbieden. Wanneer mevrouw de medicijnen vervolgens zelfstandig kon innemen, waren drie fysieke zorgmomenten per dag mogelijk helemaal niet nodig.
Vanuit verpleegkundig perspectief bood dat verschillende voordelen. Mevrouw zou haar zelfstandigheid behouden, ondersteuning krijgen op de momenten waarop zij dat nodig had en zou haar dag minder af hoeven te stemmen op de route van de thuiszorg.
Mevrouw keek daar héél anders naar...
De wijkverpleegkundige legde uit hoe de medicijndispenser werkte en wat deze voor mevrouw kon betekenen. Ze besprak ook hoe dagelijkse thuiszorg er in de praktijk uitziet. Een zorgverlener werkt binnen een overvolle route, waardoor het exacte tijdstip van een bezoek kan wisselen. Drie zorgmomenten betekenen daardoor ook dat je meerdere keren per dag rekening houdt met de komst van de thuiszorg.
Die uitleg veranderde het standpunt van mevrouw nauwelijks. De huisarts had immers gezegd dat de thuiszorg langs zou komen. In haar beleving was daarmee al afgesproken welke ondersteuning zij zou krijgen. De dokter heeft er tenslotte voor geleerd. Daarnaast gaf mevrouw aan dat zij recht had op fysieke zorg.
Bij deze situatie was ik als externe adviseur betrokken en dacht met de wijkverpleegkundige mee. De medicijndispenser sloot goed aan bij de zorgvraag en bij wat mevrouw zelf nog kon. Alleen begon het gesprek over die mogelijkheid pas nadat er al een heel concreet beeld van de oplossing was ontstaan.
Daarmee veranderde ook het gesprek. De vraag was niet langer alleen: wat past het beste bij deze cliënt? Er lag inmiddels ook een verwachting op tafel die volgens mevrouw moest worden nagekomen.
Tijdens een anamnese kijk je als wijkverpleegkundige naar de hele situatie. Wat is de zorgvraag? Wat kan iemand zelf? Waar is ondersteuning nodig? En welke oplossingen passen daarbij?
Dat proces vraagt om ruimte. Als vooraf al wordt gezegd dat de thuiszorg drie keer per dag langskomt, begint de cliënt het gesprek met een vaststaand beeld van de uitkomst. Een voorstel voor een medicijndispenser kan dan voelen alsof eerder beloofde zorg wordt teruggedraaid.
Vanuit het perspectief van deze mevrouw was haar reactie daarom heel begrijpelijk. Ze hield vast aan wat een vertrouwde zorgverlener in een gerespecteerde functie haar had verteld. Haar weerstand ging dus ook niet over de technologie zelf. Het verschil tussen de eerste boodschap en het latere voorstel was de oorzaak.
Dat vind ik een belangrijke les. De inzet van zorgtechnologie begint soms al vóór het eerste gesprek met de wijkverpleegkundige. De woorden die een huisarts, apotheker of andere verwijzer gebruikt, beïnvloeden welke verwachtingen iemand meeneemt naar dat gesprek.
De wijkverpleegkundige besloot daarom contact op te nemen met de huisarts. Ze legde uit wat de eerdere toezegging deed met de anamnese en met de ruimte om samen met de cliënt naar verschillende mogelijkheden te kijken.
Dat gesprek leidde tot een kleine verandering in de communicatie. Sindsdien vertelt de huisarts cliënten dat de wijkverpleegkundige samen met hen onderzoekt welke ondersteuning het beste bij hun situatie past. Dat klinkt minder concreet dan: “De thuiszorg komt wel langs.” Echter geeft het de cliënt wel een eerlijker beeld van wat de volgende stap is:
Eerst volgt een verpleegkundige beoordeling. Daarna bespreken cliënt en wijkverpleegkundige welke vorm van ondersteuning passend is. Daarbij kunnen fysieke zorg, zorgtechnologie of een combinatie van beide aan bod komen.
De uitkomst staat daarmee nog open. Precies die ruimte heb je nodig om samen te kunnen beslissen.
We denken bij het inzetten van zorgtechnologie al snel aan een apparaat, instructie of implementatie. Deze casus liet mij zien dat de voorbereiding veel eerder begint. Het begint bij de verwachtingen die zorgprofessionals creëren en bij de ruimte die zij elkaar geven om hun eigen professionele afweging te maken.
Artsen, wijkverpleegkundigen en andere betrokken professionals hoeven daarvoor niet allemaal dezelfde kennis van zorgtechnologie te hebben. Het helpt vooral wanneer duidelijk is wie welke rol heeft en welke boodschap de cliënt meekrijgt.
Een huisarts hoeft bijvoorbeeld nog geen oplossing te kiezen. Een boodschap als deze laat de mogelijkheden bewust open:
“De wijkverpleegkundige bespreekt met u welke ondersteuning in uw situatie het beste past.”
Voor de cliënt is dan duidelijk wat er gaat gebeuren, terwijl de wijkverpleegkundige de ruimte houdt om de situatie zorgvuldig te beoordelen.
Je kunt deze situatie zien als een lastige casus tussen één cliënt en één wijkverpleegkundige. Voor mij zit de interessantste vraag juist in de helikopter-view: waar ontstond de verwachting?
Wanneer meerdere cliënten binnenkomen met dezelfde toezegging, heeft het weinig zin om ieder gesprek opnieuw vanaf nul te voeren. Dan is het slimmer om met de verwijzer te bespreken welke boodschap cliënten vooraf meekrijgen.
Dat hoeft geen groot implementatieproject te zijn. Soms maakt één gezamenlijk afgestemde zin al verschil. De huisarts weet wat de wijkverpleegkundige nodig heeft voor een goede beoordeling, de wijkverpleegkundige hoeft geen eerdere belofte terug te draaien en de cliënt weet vooraf dat er verschillende mogelijkheden besproken kunnen worden.
Zo wordt zorgtechnologie voor thuis ook een onderwerp van samenwerking in de zorgketen.
Kom jij cliënten tegen die al precies weten welke zorg ze (volgens een andere zorgverlener) gaan krijgen? Vraag jezelf dan eens af waar die verwachting vandaan komt. Misschien ligt de oplossing voor het volgende cliëntgesprek wel in een gesprek met de huisarts, apotheker, transferverpleegkundige of een andere verwijzer.
Pak één herkenbare casus en bespreek samen welke boodschap richting cliënten wordt gebruikt. Welke verwachtingen ontstaan daardoor? En welke formulering geeft voldoende duidelijkheid én ruimte om later samen te bepalen wat werkelijk passend is?
Dat kleine gesprek kan veel opleveren.
Wil je de praktijkinzichten blijven volgen? Iedere week deel ik nieuwe ervaringen en lessen uit mijn ruime ervaring met zorgtechnologie.
Dit artikel is geschreven door Monique op 03-10-2026